U bent hier

Home

Kamerplanten

Willy van Bever

Belangrijkheden:

1. Temperatuur

a. Koude kasplanten 3 à 10 ° C
Sleutelbloem, Azalea, Pantoffelbloempje, . . .
b. Gematigde kasplanten 10 à 18 ° C
Cyclamen, zygocactus -> in de winter geen water geven (rustfase), cactussen, asperagus, hibiscus, bromelia C -> water geven op het blad; groeit op bomen, crasula (dikblad) -> kan ook bij 20 °C, klimop, clorofitum, . . .
c. Warme kasplanten 18 à 22 ° C
Ficus, dyfenbachia (niet in het zonlicht zetten; druppels vallen van en blad en veroorzaken vlekken op meubels, dracena, anthurium, rafidafora, monstera, sanseveria, peperomia, begonia rex -> is een moeilijke plant.

2. Standplaats

Sterk gekleurde bladeren vragen veel licht. Vb. Colius of siernetel mag in de volle zon; ‘s winters insnoeien; stekken 7 à 10 cm lang,
de onderste bladeren weghalen en 2 cm in het waterzetten voor wortelvorming.

3. Verpotten

In het voorjaar (van maart tot mei)
Planten in opgroei; elk jaar verpotten
Grotere planten om de 2, 3, 4 jaar
Surfaceren = de grond lospeuteren aan de zijkant, zo diep mogelijk.
(De oude pot past in de nieuwe is een goed principe; zo vormen zich in het midden van de pot ook wortels)
Indien nodig de wortels inkorten. Onder in de pot potscherven leggen als drainage. Druk de grond nooit te vast aan !
Aanwijzing die leiden tot verpotten:
doorgroei van wortels, opdruk, te kleine bladeren.
Gebruik een potgrond die lucht en water behouden.

4. Grond

Koop goede grond. Vb. Viano, Agrofino, De Ceuster (DCM).
De grond mag niet nat in de zak zitten, geen stokken bevatten, geen structuur.
Een goede grond bevat:  Witte bolletjes (isimo) -> luchtig: slorpen vocht en lucht op.
Turf: jonge turf is vezeliger, hangt meer aan elkaar vast en is goed voor kamerplanten; oudere turf slaat sneller vast.
Terracottum (gel die zwelt als hij met vocht in aanraking komt): bij grotere potplanten is dat goed, niet bij kleinere potten.

5. Gieten

Gebruik bij voorkeur regenwater (in leidingwater zit kalk die zich vastzet in de pot en die de grond te kalkrijk maakt) dat op temperatuur is.
We geven water op een vrij moment en bij voorkeur ’s avonds. We geven water met de ogen = volgens de behoefte van de plant, maar zeker nooit te veel.
We geven ook regelmatig water: 2 X per week. Giet dus in verhouding met de plantsoort en de potgrootte.

6. Luchtvochtigheid

We plaatsen verdampingsbakken aan de radiator. ( 80 % )
Benevelen -> Niet met kalkwater; dit geeft witte stippen.
Planten met dunne bladeren hebben een hoge luchtvochtigheid (80 %) nodig;
Planten met dikke hebben een lage luchtvochtigheid (60 %)
Planten met behaarde bladeren niet benevelen of ook niet op het blad gieten.

7. Kwaliteit van potten

Stenen potten zijn de beste.
Plastiek potten hebben de helft aan water nodig t.o.v.  stenen potten.
Plastiek is licht, goedkoper, niet breekbaar, beter te stapelen.
Potten kun je beter goed kuisen door ze in het water te leggen en te ontsmetten, eer je ze gaat herbruiken.
Nieuwe stenen potten die je eerst gebruikt, in het water dompelen; dan neemt de pot het water voor de plant niet weg.

8. Bemesting

Een goede grond, meststof toevoegen na 6 à 8 weken. Om de 14 dagen meststoffen bijgeven (Substral, Compo, Osmocoot -> blokjes onder de potgrond mengen = goed voor 1 zomer) of korrels op de grond strooien die met het gietwater oplossen. Blauwe korrel of een DCM-produkt gebruiken.
Concentratie: te hoog => verbranding; dit gebeurt ook bij uitdroging van de kluit.
Bemesten doe je tijdens de groeiperiode: maart tot oktober.

9. Gezonde Planten

Tegen bladluizen: buiten overgieten met netelsap.
Witziekte
Zwarte bladeren: een gevolg van te veel water.
Witvlieg veelal op fuchsia: “etiketten” die je op de rand van de pot steekt.