U bent hier

Home

Aanleg en onderhoud van een gazon zonder chemische hulpmiddelen

Armand Cauberghs

1. Voorbereiding van de grond

De grond vormt de basis van het gazon: onze lichte zandgrond laat veel water door en de wortels kunnen beter hun weg vinden als de grond los is. Een laag van 30cm teelaarde moet gelijkmatig verdeeld worden met de kruiwagen, niet met bulldozer.
Bij het frezen gaan de messen max. 15 cm diep, de losse grond is dan 25 cm dik. De regen kan niet door de vaste ondergrond en het grondwater kan niet naar boven. Daarom is het beter om te spitten of te ploegen. Bij erg vaste ondergrond moet men een tweede spade diep spitten. Oude zoden moeten gelijk verdeeld worden bij het onderspitten, want door de vertering gaat later je grond ongelijk liggen en kuiltjes vertonen. De tuinaanleggers hebben kleine machines (bobcats) om deze bewerkingen uit te voeren.

2. De bemesting

De aanvangsbemesting gebeurt best met organische meststoffen: stalmest en compost (max. 2 tot 3 m3 per are om verbranding tegen te gaan). Humus is belangrijk in zandgronden om het vocht vast te houden en in leemgronden om ze luchtiger te maken. Niet frezen want er zitten onkruidzaden in de compost en die moeten 10 à 15 cm onder de bovenrand blijven zodat ze niet kunnen kiemen. Indien men champignonmest gebruikt, zeker geen extra kalk bijgeven, anders wordt de PH te hoog. Bij gebrek aan compost mag men ook Viano, Guano, Fimus … gebruiken.

3. Het aanleggen

Eerst de grond gelijk leggen, niet wellen, wel vastlopen, dan heb je nog steeds een beetje losse grond om nog wat bij te harken.
Om te harken gebruik je best een houten of aluminium hooihark. Je kan ze ook gemakkelijk zelf maken: in een 60 cm lange keper boor je om de 4 cm kleine gaatjes waar je een lange nagel inklopt (de tanden mogen 5 cm lang zijn). Een steel er aan en je hark is klaar.
Steeds beginnen te harken op het hoogste punt, de grond gelijk leggen met de boordstenen. Je kan ook werken met piketten en koorden om de hoogte van het ganse stuk te bepalen. Om mooi gelijk te harken, steeds kruislings werken. Indien je een deel harkt, moet je dat dezelfde dag inzaaien, want de regen zou de grond kunnen dichtslaan.
Bij het zaaien steeds langs de randen beginnen en daar iets dikker zaaien. Ook steeds kruislings zaaien om een mooie gelijke verdeling van het zaad te bekomen. Ook bij gebruik van een strooiwagen moet je letten op dubbel zaaien of strookjes waar geen zaad ligt. Je moet dan wel niet oppassen voor windvlagen die bij manueel zaaien je duur graszaad tot bij de buren kan brengen. Per are gebruik je 3 kg gazonzaad. Bij de keuze van het zaad moet je letten op gebruik en ligging van je gazon.

Het zaad wordt kruislings ondergeharkt met dezelfde soort hark. Zaad dat niet ondergeharkt is, kiemt niet. Opletten voor hoopjes, in de richting van de boord en niet bergaf harken. Om aan te wellen gebruik je best een wel van ong. 50 kg en 80-90 cm breed. De bovenste laag van de grond moet droog zijn, anders blijft deze aan de wel hangen. Het wellen moet niet op dezelfde dag gebeuren, niet wringen met de wel, anders heb je putten of verplaats je het zaad. De natuur doet de rest: in september, oktober zorgt de dauw of de mist voor het nodige vocht, in het voorjaar moet men beregenen bij droog weer.

4. Het onderhoud.

De onderhoudsbemestingen:
Indien je het gazon in een gezonde toestand wil houden, dien je 3 à 4 x per jaar een meststof toe te dienen.
In de winter (jan.-feb.) bekalken als het nodig is: maximum 5-10 kg per are. Kalk heeft enkele maanden de tijd nodig om te werken.
In het voorjaar (april) een organische bemesting gebruiken zoals koemest of kippenmest, hierbij wel oppassen voor de stikstof. 7 kg per are volstaat hier, de werking gebeurt traag en lang.
In mei - juni mag er weer bijgemest worden, liefst weer organisch, chemisch mag ook: N+P+K+ 3% Mg, Mg zorgt voor sterk en donkergroen gras en doet de zuurtegraad wat zakken. Ammoniaksulfaat (max. 3 kg/are!) helpt het mos bestrijden, veel beregen achteraf om verbranding te voorkomen. Ook andere enkelvoudige meststoffen zoals superfosfaat en kaliumgiften moeten in het voorjaar gegeven worden.
Rond half augustus wordt dan de laatste chemische bemesting gegeven als wintervoorraad: weinig N, veel P en K.

Het verticuteren is jaarlijks nodig om je gazon te verluchten.(Prikken is eigenlijk nog beter, met pinnen gaat men dan 30-40 cm de grond in, dit zorgt voor een goede water- en luchthuishouding). In tegenstelling tot wat de meeste onder ons doen gebeurt dit best in het najaar. Achteraf bijzaaien en afdekken met potgrond. Eventueel wat kalk bijgeven. Het oversnijden van de wortels in de lente geeft problemen bij droog weer. Indien je het toch uitvoert in het voorjaar, moet je achteraf bijmesten.
                                    
Het maaien gebeurt steeds met scherpe messen, de eerste maal op 6-8 cm, later op 4 cm, steeds de machine zuiver maken, vooral de korf en de messen. Bij droog weer niet te kort maaien! De laatste maaibeurt voor de winter mag korter zijn, in onze zachte winters groeit het gras verder en langer gras geeft in de winter kans op schimmels door het hoge vochtgehalte. Verkeerde maaihoogtes geven dikwijls mosvorming maar in de schaduw zal je hier steeds problemen mee hebben.

De larven van de mei - en junikever vreet aan de wortels van het gazon. De kever is moeilijk te bestrijden, de larve kan je alleen proberen te verdrinken. Er bestaan producten om ze te bestrijden, maar deze zijn te giftig en te gevaarlijk om ze als hobby-tuinier te gebruiken.

met dank aan Pascale voor de samenvatting van deze voordracht